Het is eind november, maar de Portugezen laten zich niet zomaar naar binnen jagen. Aan de Praça Duque de Saldanha, terwijl de auto’s zich hortend, stotend, en toeterend door het verkeersinfarct vechten en de forenzen zich mengen met de winkelaars terwijl ze zich naar het metrostation haasten, kun je bij de kiosk nog steeds op het terras terecht, met een Super Bock of een mojito, terwijl op het tv-scherm Beşiktaş nek aan nek staat met Porto en een zwoele jazz-zangeres over de radio de liefde bezingt. Af en toe stoppen mensen even om de stand te bekijken: een student met een leren jasje en een voorzichtig baardje, een strak gekapte zakenman in een duur driedelig pak met zijn telefoon tussen oor en schouder geklemd, een brede potige kerel met een maanrond donkerbruin gezicht en een opzichtige oranje verfvlek op zijn rafelende spijkerbroek. Ze staan even stil, nemen de stand in zich op, en kijken bij het verder lopen af en toe nog even om, alsof ze zich ervan willen verzekeren dat de spelers na hun vertrek van verdere doelpunten afzien.
Ik ben hier natuurlijk ook niet voor mijn plezier, dus ik mag me een paar dagen één van hen voelen. Ik heb een degelijk saai zakenhotel geboekt, niet in het toeristische centrum natuurlijk, maar ver genoeg van de universiteit om me elke ochtend onder de forensen te mengen. Ik heb precies genoeg krediet op mijn metrokaartje gezet om het elke ochtend nonchalant voor het toegangspoortje te kunnen houden. Daarna ga ik tussen de studenten, zakenlui, en andere gehaaste forensen geroutineerd op mijn doel af om in de metro dezelfde verveelde pose als iedereen aan te kunnen nemen. Ik heb het uitgebreide ontbijtbuffet van mijn hotel overgeslagen zodat ik bij die ene spuuglelijke pasteleria naast de campus in mijn beste Portugees een koffie en een croissant kan bestellen. Dat ik het antwoord van de barman niet versta en voor mijn wisselgeld dus maar op zijn eerlijkheid moet vertrouwen, en voor de rest van de ochtend verga van de honger omdat ik in Angelsaksische contreien met gemak een bord spek, eieren, worstjes, tomaat, champignons, rösti’s, en witte bonen in tomatensaus had weggewerkt, dat neem ik deze week voor lief.
Op de dag van vertrek loop ik met mijn rolkoffertje nog één keer langs die kiosk naast de metro-ingang. “Oeng kafè” probeer ik nog tegen de studente met prachtige kastanjebruine ogen die vandaag de bediening doet. “One espresso? Sixty cents sir.” Het zal wel die rolkoffer zijn die mij verraadt. Zwijgend drink ik mijn koffie. Ik vertrek, maar Lissabon gaat verder. In de metro, in de vertrekhal, en tot in het vliegtuig blijft de smaak van espresso nog in mijn mond hangen, alsof mijn lippen nog nagloeien van een kus van die prachtige serveerster.
Overigens ben ik van mening dat een inwoner van Lissabon een Lissabonees heet. Hij is immers ook een Portugees, en iemand uit Ambon heet toch ook een Ambonees?