Eten

Ik ben in Wageningen wel wat afgedreven van mijn wortels als slagerszoon, maar de waardering voor goed en lekker eten ben ik nooit kwijtgeraakt. En dan heb ik het niet alleen over de zintuiglijke kant, dat je intens kunt genieten van de geur van verse knoflook en gember in de hete olie, of van de hartigheid van een runderstoofpot die de halve middag op een laag vuurtje heeft staan sudderen.

Nee, ik word me er steeds meer van bewust hoe het bereiden en genieten van een smaakvolle maaltijd een stukje identiteit is, dat me verbindt met de slagerij aan de Luifelbaan in Wassenaar waarboven ik geboren ben en waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht. Waar je altijd de rookkast kon ruiken op het balkon, en waar mijn vader ooit in de aanloop naar de feestdagen boven kwam, met een wollen trui en een sjaal onder zijn slagersschort, en commandeerde: “het is min twee in de worstmakerij, maar we gaan gewoon door!” Apetrots was mijn vader op zijn eigen creaties, waaronder zijn huispaté met rookspek en pistachenoten, en zijn bourgondische rib ingespoten met rode wijn en in de oven gegaard met kruidnagel en bruine suiker. Met dat laatste gerecht won hij de Gouden Slagersring, en toen mijn vader in 2019 overleed kreeg die ring een prominente plaats in zijn uitvaart. Ik ben de enige die de familietraditie niet heeft voortgezet door een restaurant te beginnen, en de gesprekken thuis gaan vaak over eten.

Eten heeft zelfs een spirituele dimensie. Ik hoef alleen maar terug te gaan naar mijn katholieke wortels, waar brood aan bod komt in het Onze Vader, de bruiloft van Kana, en de eucharistieviering: brood symboliseert leven, gemeenschap, samen delen. Ook in mijn tegenwoordige flirt met het zenboeddhisme ontkom ik er niet aan. In 2022 verbleef ik in Zen River, een zenboeddhistisch klooster in Uithuizen, en wat me daar nog het meest ontroerde was hoeveel ritueel er was gewijd aan het bereiden en nuttigen van voedsel. Van het verzoek om in de keuken niet meer te spreken dan strikt noodzakelijk, tot het vermijden van vlees, tot de maaltijdgatha die ons doet stilstaan bij alles dat aan de maaltijd voorafgaat (“Tweeënzeventig werken brachten ons dit voedsel, we moeten weten waar het vandaan komt…”). Eén van de meest inspirerende teksten uit het zenboeddhisme is de Tenzo Kyokun, oftewel de instructies voor de kloosterkok, geschreven door de dertiende-eeuwse Japanse monnik Dōgen. De Tenzo Kyokun maakt van het bereiden van eten een metafoor voor het hele leven. Het aanwenden van de middelen die je ter beschikking staan om een voedzame maaltijd voor je mede-monniken te bereiden vraagt van de tenzo dezelfde aandacht, zorgvuldigheid, dienstbaarheid, en gelijkmoedigheid als van ieder ander mens, in iedere andere denkbare functie.

Daarom is het jammer dat in Nederland eten zoiets functioneels is. We werken ons bord gedachteloos weg bij de televisie, zonder stil te staan bij wat we eten, wie allemaal aan dat eten hebben bijgedragen, en wat het eten voor ons betekent.

Vliegweigeraar

Het is ook nooit goed. Wie een week in de snikhitte van Dubai gaat zitten om wereldleiders tot bindende afspraken te bewegen voor het verminderen van broeikasgasemissies, wordt verweten met het vliegtuig te zijn gekomen. Alsof daar een trein naartoe gaat! Maar de econoom Gianluca Grimalda, die het vliegtuig zoveel mogelijk probeert te mijden, heeft zojuist zijn baan bij het Kielse Institute for the World Economy verloren omdat zijn geplande terugreis bijna vijftig dagen zou duren.

Je leest het goed: in plaats van een vliegreis van één tot twee dagen koos hij ervoor om anderhalve maand over land te reizen door onder andere China, Iran, en Turkije. Grimalda berekent dat hij met zijn omweg zo’n viereneenhalve (4,5) ton koolstofdioxide bespaart.

Ik weet niet wat ik ervan moet vinden. Klimaatsceptici nemen graag het gedrag van activisten en onderzoekers op de korrel, op zoek naar een beschuldiging van hypocrisie om hun boodschap te ondermijnen. Eén van de dieptepunten was hoe Caroline van der Plas de A12-blokkeerders van Extinction Rebellion verweet hun lunch in een plastic broodtrommel te verpakken. Maar het voelt ook voor mij niet goed om met mijn grote mond over het klimaat op Schiphol in de rij te staan. Volgend jaar heb ik een bijeenkomst in Kopenhagen, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om een vliegticket te boeken. Arnhem – Kopenhagen is te doen in een dag, dat wil zeggen, als Deutsche Bahn niet voor de gebruikelijke ellende zorgt met uitgevallen treinen, vertragingen, en wat nog meer. Maar dat is niets vergeleken bij de lange en gevaarlijke reis die Grimalda onderneemt. Zijn standvastigheid dwingt respect af, en ik begrijp hem ergens wel.

Maar ik hoop ook dat hij zich als econoom heeft afgevraagd of de kosten van zijn keuze tegen de baten opwegen. Laten we ervan uitgaan dat zijn reis over land veertig dagen langer duurt dan een vliegreis; tegen een tarief van, zeg, honderd euro per dag komt dit neer op vierduizend euro. Zijn werkgever raadt aan om gebruik te maken van carbon offsets, maar ik heb hier eerlijk gezegd mijn bedenkingen over. Ik heb meer vertrouwen in het Europese emissiehandelssysteem, en daar hadden de emissies van zijn vliegreis hem zo’n vierhonderd euro gekost – een tiende van de waarde van de tijd die hij nu reizend heeft besteed. De emissierechten die je daar koopt worden niet meer door anderen gebruikt, dus je bespaart er wel degelijk emissies mee.

En toch, en toch… Het kopen van zulke rechten voelt als een middeleeuwse aflaat. Bij zijn veldwerk in Papua Nieuw Guinea beloofde Grimalda de mensen dat hij niet terug zou vliegen. Mijn schatting van de kosten is ook niet helemaal eerlijk, want hij was bereid onbetaald verlof op te nemen voor zijn reis. Het hoefde dus niemand geld te kosten.

De vraag blijft hoe duur principes mogen zijn. Moeten we daar überhaupt wel een prijs voor rekenen?

Shane

Magere Hein toont dit jaar weinig genade voor de muziekliefhebbers van mijn generatie, en al helemaal niet met degenen met een voorliefde voor Ierland. Het mag natuurlijk een klein wonder heten dat Shane MacGowan überhaupt de 65 heeft mogen halen. Ik moet ook toegeven dat ik zijn albums al een tijd uit het oog was verloren – het meest recente nieuws dat ik me kan herinneren was dat hij nieuwe tanden had.

Maar toch stemt het me droevig. The Pogues waren mijn stapsteen naar de traditionele Ierse muziek, en in het verlengde daarvan naar andere tradities als Frans, Zweeds, Old Time, noem maar op. Ik ontdekte ze tegen het einde van de jaren ‘80, via de vrienden met wie ik in die tijd een vakantiebaantje had bij een bollenkwekerij. Ik leende If I Should Fall From Grace With God van de bibliotheek om hem op een cassettebandje te zetten – CD’s kopen deed je toen alleen als de bieb ze niet had. De mix van melancholie over emigratie (Fairytale of New York, Thousands Are Sailing), losgeslagen chaos (Turkish Song Of The Damned, Bottle Of Smoke) en woede over een koloniaal verleden dat nog steeds niet was afgesloten (The Recruiting Sergeant, Birmingham Six) wekten mijn interesse in de Ierse muziek, cultuur, en geschiedenis, maar lieten ook een beeld achter dat misschien op sommige vlakken wat al te romantisch en stereotype was. Wat wil je, MacGowan was zelf geboren in Kent en startte The Pogues toen hij in Londen woonde. Emigranten willen nogal eens vasthouden aan een karikatuur van hun thuisland.

Die karikatuur werkte ook tegen hemzelf, denk ik wel eens. Luka Bloom spreekt op zijn debuutplaat Shane MacGowan aan: Why should you be the one to go out on the edge? Do you want to be another dead hero? Shane MacGowan bouwde een reputatie op van extreem drank- en drugsgebruik. Zijn fans vonden het prachtig en juichten als hij op het podium weer een fles whiskey achterover sloeg. Als 18-jarig pikkie kon ik het ook wel waarderen, maar na verloop van tijd ging die verheerlijking van drankmisbruik me tegenstaan. Het is dat romantische stereotype van de Ier die na een indrukwekkende hoeveelheid pints losbarst in een melancholisch lied over heimwee, onderdrukking, en verloren liefdes. Ik heb ze ontmoet hoor. Eén werd nadrukkelijk door zijn huisarts gewaarschuwd dat iedere druppel zijn dood kon worden. Hij is uiteindelijk onderaan de trap gevonden, overleden aan interne bloedingen. De rest heeft na verloop van tijd de drank afgezworen. Mijn held van dit moment, Ian Lynch van de groep Lankum, is een kraker met een dikke ring door zijn neus en een lijf vol tatoeages, maar hij drinkt geen druppel. Zijn muziek is er niet minder om en hij gaat vast een stuk langer mee – maar ik geef ook toe dat het niet dezelfde charme heeft als de dronken melancholie van A Pair Of Brown Eyes.

Luisteren

De ochtend na de Tweedekamerverkiezingen stond ik in een collegezaal een college voor te bereiden toen ik twee studenten door de gang hoorde lopen. Ik kon nog net een flard van het gesprek opvangen: “…ik ken ook echt niemand die PVV stemt. Ja, een vriend van een vriend van me, maar dat is dan ook een ontzettende lul…” In mijn college probeerde ik de politiek zoveel mogelijk te vermijden, maar de stemming in het lokaal was duidelijk: dat een kwart van de Nederlandse kiezers zijn stem uitbrengt op Wilders is een ramp voor vluchtelingen en het klimaat, en bovenal onbegrijpelijk: wie stemt daar nou op? Voor zover er sprake is van linkse indoctrinatie op universiteiten hoeven docenten daar geen moeite voor te doen, dat kunnen studenten heel goed zelf. Die enkeling die naar de definitie van deze student wel een lul is houdt wijselijk zijn mond.

Ik ga je niet vertellen wat ik gestemd heb, maar als je mijn eerdere columns hebt gelezen kun je vast wel een gok wagen. Ik kan je ook verklappen dat ik geen excommunicatie hoef te vrezen als ik het aan mijn studenten en collega’s zou vertellen. Verder hou ik mijn stem voor mezelf.

Maar ik ga niet alleen met studenten en collega’s om; ik begeef me ook in kringen waar ik mijn stem soms ook liever voor me hou, niet omdat het niemand wat aan gaat, maar om de vrede te bewaren. Daar gaan de zorgen niet over het veranderende klimaat of het gebruik van de juiste voornaamwoorden, maar om de hoogte van de omzetbelasting, de betaalbaarheid van het personeel bij de zoveelste verhoging van het minimumloon, of het gemopper van klanten over de nieuwe bierprijs die, genoodzaakt door de stijgende energieprijzen, weer is verhoogd. Of het bedrijf kan worden voortgezet, ondanks de stijgende kosten en voortwoekerende regelgeving, of dat men toch het bijltje erbij neergooit om een andere betrekking te zoeken.

Het punt is: die klimaatcrisis, want zo noem ik hem, met broeikasgasconcentraties die in geen miljoenen jaren meer zijn voorgekomen en weersextremen die een slap voorproefje zijn van wat ons te wachten staat; én die gezinnen die iedere maand weer worstelen om hun energierekening te betalen; én die ondernemer die er door stijgende kosten geen been meer in ziet; dat zijn allemaal waarheden die naast elkaar bestaan. Het is verleidelijk om één verhaal te kiezen, zonder tegenstellingen. Het klimaat moet gered, en wie daar tegen is is een klimaatontkenner of een cynische kapitalist. De klimaatwaanzin drukt gezinnen de armoede in en draait hardwerkende ondernemers de nek om. Het is veel moeilijker om ruimte te laten aan alle belevingen, hoe tegenstrijdig ze ook lijken.

Het allerbelangrijkste daarvoor is: luisteren. Te veel mensen hebben hun mening al klaar voordat de ander zijn mond opentrekt, en maken van een gesprek een ondoordringbaar steekspel. Parkeer je mening eens, beoefen nieuwsgierigheid, stel een vraag, en probeer je in de ander te verplaatsen. Je hoeft het niet eens te zijn om een standpunt te begrijpen.

Taalpolitiek

Vlak voor de val van het kabinet lanceerde Robbert Dijkgraaf, een D66’er notabene, de partij die zich altijd profileert als de onderwijspartij, een wetsvoorstel om universiteiten te verplichten hun BSc-programma’s voor minstens tweederde in het Nederlands aan te bieden. Met de val van het kabinet leek het plan onderin een la te verdwijnen, maar meerdere centrumrechtse partijen hebben het daar weer uit gehaald. Zo wil de VVD dat alle BSc programma’s verplicht in het Nederlands worden aangeboden, met een uitzondering voor de technische universiteiten; Pieter Omtzigt, wiens partij tot de favorieten behoort in de peilingen, stelt zelfs dat het volledige hoger onderwijs in het Nederlands moet.

Ik kom superlatieven tekort voor dit plan, maar mogelijke kandidaten zijn “krankzinnig”, “onuitvoerbaar”, en “wereldvreemd”. Al vind ik “van de pot gerukt”, “catastrofaal”, en “provinciaal” ook wel toepasselijk.

Ooit was het Latijn de taal van de wetenschap. Christiaan Huygens, één van de grootste wetenschappers in de Nederlandse geschiedenis, schreef bijna al zijn verhandelingen over onderwerpen als akoestiek, uurwerken, en sterrenkunde in het Latijn; wat hij niet in het Latijn schreef, schreef hij in het Frans, wat destijds in diplomatieke kringen de gangbare internationale taal was. Zijn beheersing van het Latijn en het Frans stelde hem in staat te corresponderen met beroemde tijdgenoten als Pascal, Fermat, en Newton. Als je in zijn tijd naar de universiteit wilde, dan ging je eerst naar de Latijnse school om Latijn te leren. De Nederlandse Republiek mocht dan een klein hoekje van Europa zijn, ingeklemd tussen grootmachten als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, en het Habsburgse Rijk, politiek, economisch, en wetenschappelijk was het een grootmacht. En die macht verkreeg de Republiek door de blik naar buiten te richten, met internationale handel en correspondentie.

Later verdrong het Frans het Latijn. Na de Eerste Wereldoorlog beleefde het Duits een korte opleving als taal van de natuurkunde, maar sinds de Tweede Wereldoorlog vindt vrijwel het gehele wetenschappelijke debat in het Engels plaats. Wie mee wil tellen in de wetenschap zal het Engels moeten beheersen, of we dat nou leuk vinden of niet. In Scopus staan meer dan 81 miljoen wetenschappelijke artikelen in het Engels; 2,7 miljoen in het Duits; 1,5 miljoen in het Frans; iets minder dan een miljoen in het Spaans; en nog niet eens een zesde van dat aantal in het Nederlands. En van die groep hebben de meest geciteerde artikelen een tweetalige titel: in het Nederlands en in het Engels.

Wie Nederland tot een obscuur achterafstraatje in de stad van de wetenschap wil veroordelen, kan zich geen beter beleid voorstellen dan de onzalige taalpolitiek van NSC, VVD, en CDA.

Extinction Rebellion

De laatste keer dat koolstofdioxideconcentraties zo hoog waren als nu was tussen de drie en vijf miljoen jaar geleden. De aarde was zo’n drie graden celsius warmer, en de zeespiegel lag meer dan tien meter hoger dan nu. We merken nu al dat temperaturen veranderen: hitterecords worden bijna jaarlijks verbroken, droogtes maar ook overstromingen nemen toe, de ijskappen krimpen. Ik heb dus alle begrip voor de haast van Extinction Rebellion. Mij gaat het ook allemaal veel te traag. Maar Extinction Rebellion is zelf zijn eigen grootste vijand.

Om bij die ijsberg te blijven: als de Titanic een zeilschip was geweest, had de kapitein letterlijk alle zeilen bijgezet om een botsing te voorkomen. Ook in het klimaatbeleid zou je verwachten dat we alle middelen inzetten om verdere opwarming te voorkomen: een andere levensstijl, andere energiebronnen, alle mogelijke middelen om emissies te beperken, en bij dat alles maximaal gebruik maken van de kennis en ervaring die in de wereld beschikbaar is. Maar Extinction Rebellion wil niet alleen emissies beperken; de beweging is ook opmerkelijk specifiek als het gaat om de manier waarop dit gebeurt. Ze zijn tegen de ondergrondse opslag van koolstofdioxide, want dat zou de industrie een vrijbrief geven om op de oude voet door te gaan. Dan ga je er dus gemakshalve van uit dat diezelfde industrie zich snel genoeg kan aanpassen om verdere opwarming te voorkomen. Extinction Rebellion wil wel schone energie, maar sluit kernenergie bij voorbaat uit. Nu geloof ik ook niet zo in kernenergie: het is gillend duur en mist de flexibiliteit om zich van seconde tot seconde aan te passen aan de grillen van de energievraag. Maar dat is geen reden om kernenergie bij voorbaat uit te sluiten. Je zou ook verwachten dat we voor de overstap op nieuwe energiedragers als waterstof en biobrandstoffen de kennis en ervaring van de fossiele industrie hard nodig hebben, maar wetenschappers die met Shell of Esso samenwerken verkopen volgens Extinction Rebellion hun ziel aan de duivel.

Maar nog het schadelijkst voor het klimaatbeleid is hoe Extinction Rebellion zijn missie verbreedt naar andere activistenthema’s als dekolonisatie, antiracisme, en De Palestijnse Zaak. Feiten doen niet aan politiek, maar hun acceptatie helaas wel. Ik las ooit een onderzoek waaruit bleek dat rechtse mensen wetenschap eerder serieus nemen als ze stelt dat de risico’s van genetische modificatie beperkt zijn, maar sceptischer zijn als de klimaatwetenschap waarschuwt voor de gevaren van de stijgende broeikasgasconcentraties; linkse mensen betwijfelen juist de feiten rond biotechnologie maar nemen klimaatwetenschap weer wel serieus. Met het verbreden van zijn agenda versterkt Extinction Rebellion deze politisering van de klimaatwetenschap. Ze mogen klimaatactie dan wel als onderdeel zien van één grote strijd met antiracisme, antikolonialisme, en weet ik wat voor anti-isme, maar daarmee maken ze het omgekeerde ook waar: wie Israël steunt, of Zwarte Piet wil behouden, is ook tegen windmolens. En zo graaft iedereen zich dieper in, en gaan de emissies door. Het laatste dat we kunnen gebruiken is dat klimaatbeleid onderdeel wordt van een cultuuroorlog.

Ontgroei

Niets kan voor altijd groeien. Nou ja, het heelal schijnt voor altijd uit te dijen, maar als ik de experts mag geloven eindigt dat in een almaar groeiende, ijler wordende koude wolk van straling. Ook niet iets om naar uit te kijken, al schijnt het nog even te duren.

Maar op een kleinere schaal spreekt het voor zich: we leven op één planeet, met beperkte ruimte, beperkt water, beperkt land, enzovoort. Kunnen we dan altijd rijker en rijker worden? Is er een grens aan economische groei? Ik hoor deze vraag steeds vaker.

De Degrowth (ontgroei) beweging is, eh, groeiende, vooral onder studenten maar ook onder collega’s, en dan vooral die in de milieuwetenschappen en de sociale wetenschappen, als je de economen niet meetelt. Het is een huis met vele kamers: van klimaatwetenschappers die op grond van hun onderzoek concluderen dat onze huidige manier van leven niet houdbaar is, tot sociologen die altijd al met wantrouwen naar het kapitalisme keken. Met van alles er tussenin.

De ontgroeibeweging heeft ook veel kritiek op mijn vakgebied, de economie, die ik niet altijd terecht vind. Ik bemerk bij collega-economen dan ook vooral scepsis, om niet te zeggen vijandigheid. Ik snap dat wel. Ik moet me ook soms inhouden als ik zo’n ecomarxist hoor dreutelen dat kapitalisme niet zonder groei kan bestaan, of dat economen geen rekening houden met het milieu. Maar ik heb ondertussen geleerd in zo’n gesprek toch even mijn oordeel en mijn scepsis te parkeren, en open te staan voor wat ik van het gesprek kan leren. Al moet ik bekennen dat ik van Marxisten tot nu toe weinig geleerd heb.

Maar let op dat ik schrijf “niet altijd”. Sommige van de kritiek vind ik wel degelijk terecht. Het is vreemd hoe weinig economische tekstboeken voor de BSc en MSc over groei schrijven. Het wordt niet geanalyseerd, niet bekritiseerd, het wordt niet eens verdedigd. Eén van de meest gebruikte boeken, van Greg Mankiw, legt eventjes snel in een paar paragrafen uit dat we die groei nodig hebben om armoede te bestrijden, maar dat het met het milieu wel goed komt. Voor de rest? Ik kan me niet herinneren dat het in mijn eigen opleiding ooit is besproken. Het onderwerp van de zogenaamde milieukuznets, oftewel de observatie dat in veel landen milieuvervuiling eerst stijgt met economische groei en daarna daalt, is onderhand zo uitgemolken dat maar weinig economen er nog iets mee willen.

Maar we zullen wel iets met degrowth moeten. Die klimaatwetenschappers stellen terechte vragen: wat doen we als zulke strenge emissiebeperkingen nodig zijn dat veel kiezers een fors deel van hun welvaart verliezen? En ook als het alleen maar ongefundeerd gedreutel van een stel togasocialisten zou zijn, dan nog is het idee ondertussen zo populair dat we het gesprek aan zullen moeten gaan. Een medische faculteit kan zich ook geen stilte veroorloven als op de campus de homeopathie uitbreekt.

Dus economen, parkeer je oordeel, knijp je neus dicht, en ga die dialoog aan. Wie weet leer je nog iets.

Opgeven

“Weet je zeker dat je dit wilt?” vroeg mijn leidinggevende. Ik wist ook niet meer of ik wel voor de BAC wou verschijnen, oftewel de commissie die zou beslissen of ik promoveerde van mijn toenmalige positie als universitair hoofddocent naar een positie net onder die van persoonlijk hoogleraar. Het zag er slecht uit: mijn onderzoeksvoorstellen waren op niets uitgelopen, en ik had de afgelopen twee jaar niets gepubliceerd. Studenten waren wel erg te spreken over mijn onderwijs. Zou ik deze hopeloze ratrace niet beter opgeven voor een onderwijsbaan?

Opgeven is voor veel mensen een vies woord. Opgeven is voor slappingen. We bewonderen de mensen die altijd dóór zijn gegaan en tegen alle verwachtingen in hun doel hebben bereikt. Opgeven gaat altijd gepaard met gekrenkte trots.

Maar deze redenering is een voorbeeld van survivorship bias. Soms lees je hoe een dolfijn een drenkeling van de verdrinkingsdood heeft gered. Hij begreep dat zo’n spartelende tweevoeter niet in zee thuishoort, en duwde de drenkeling terug naar de kust. Het is een prachtig verhaal, tot je je realiseert dat we dit alleen weten van de fortuinlijken die de goede kant op zijn geduwd. Misschien vinden dolfijnen het gewoon leuk om tegen drijvende mensen aan te duwen, ongeacht waarheen? Hoeveel drenkelingen zijn door zo’n speelse dolfijn van de kust af geduwd?

Hoeveel mensen blijven in een toxische relatie omdat ze weigeren te accepteren dat de relatie niet te redden is? Hoeveel mensen hebben al hun tijd, geld, en vriendschappen opgeofferd voor een mislukte carrière in de muziek of de filmindustrie? Of zich diep in de schulden gestoken voor een kansloze startup? Die mensen die we zo bewonderen zijn de fortuinlijken wiens harde werk hun relatie heeft gered, of hun miljoenenbedrijf heeft gerealiseerd. Maar de mensen voor wie dit allemaal trekken aan een dood paard is geweest zien we niet.

Uiteindelijk koos ik eieren voor mijn geld. Als senior docent kan ik me nu veel meer wijden aan het opleiden van de volgende generatie van beleidsmakers, onderzoekers, en ondernemers. Ik kan meer mijn creativiteit kwijt in het ontwikkelen van nieuw lesmateriaal. In plaats van zelf aan de wetenschappelijke literatuur bij te dragen, merk ik nu hoe leuk het is om die literatuur met studenten te delen, en ze de stand van de wetenschap bij te brengen in onderwerpen als klimaatverandering, economische groei, en achteruitgang van biodiversiteit.

Ik besef ook dat die weg naar persoonlijk hoogleraar niet bij me paste, en dat het najagen van onderzoeksgeld en publicaties sommigen van mijn collega’s verblindt voor de behoeften van studenten en het werkveld. Door op te geven heb ik een plek in het systeem gevonden waar ik me beter thuis voel.

Het is volkomen legitiem om de afweging te maken of een strijd je energie nog waard is. Als die strijd meer van je vergt dan het je waard is, geef hem dan gerust op. Vergeet trots. Meer dan doorgaan is juist opgeven een overwinning op jezelf.

Bewilderment

Zomervakantie is altijd een goede tijd voor reflectie en de trein biedt daar meer dan voldoende gelegenheid voor. Ik hou er daarom van om in die 3-4 weken dat de vakantie duurt minstens één boek mee te nemen dat me aan het denken zet. The Ministry for the Future van Kim Stanley Robinson had mijn interesse in klimaatfictie aangewakkerd, dus deze vakantie had ik Bewilderment van Richard Powers meegenomen.

De hoofdpersoon van dit boek, Theo Byrne, is een astrobioloog die met moeite zijn haperende academische carrière combineert met de opvoeding van Robin, zijn negenjarige zoon. Robin trekt zich de achteruitgang van de mondiale biodiversiteit zo aan, dat hij op school in vechtpartijen verwikkeld raakt en thuis woedeaanvallen heeft. Theo’s vrouw en Robin’s moeder, Alyssa, was voor haar overlijden een milieuactiviste die zich fysiek en emotioneel uitputte in rechtzaken tegen bedrijven en overheid. Ze schittert in afwezigheid: Theo voelt zich verloren zonder haar, en volstrekt incapabel in de opvoeding van Robin; en in Robin zien we Alyssa’s verbetenheid terug, en haar weigering om te accepteren wat we de rest van de wereld aandoen.

De combinatie van astrobiologie en zorg om crises rond biodiversiteit en klimaat is een interessante keuze. Theo neemt Robin regelmatig mee naar denkbeeldige planeten waar het leven zich op een eigen manier heeft ontwikkeld, iedere keer uniek en beantwoordend aan de specifieke omstandigheden. Het plaatst onze worsteling met onze eigen leefwijze en haar gevolgen voor onze leefomgeving in een breder, astronomisch kader: op hoeveel planeten hebben levende wezens met hetzelfde probleem geworsteld? Hoeveel hebben het probleem opgelost, en hoe? En hoeveel zijn uiteindelijk ten onder gegaan aan hun eigen evolutionaire succes? Het doet denken aan een ander geweldig boek, Light of the Stars van Adam Frank. Frank is astrobioloog, en in zijn onderzoek stelt hij vergelijkbare vragen.

Ooit vroeg de natuurkundige Enrico Fermi zich hardop af: als er zo immens veel planeten in ons melkwegstelsel zijn dat de kans miniem is dat onze planeet de enige is met intelligent leven, waar zijn die buitenaardse wezens dan? De vraag heeft iets onheilspellends: wat weten wij nog niet waar al die andere buitenaardse beschavingen achter zijn gekomen, wellicht op de slechtst denkbare manier? Onze huidige tijd doet vermoeden dat we op het punt staan daar achter te komen. Het lijkt onvermijdelijk: voordat de evolutie een dier produceert dat in staat is om uitvindingen te doen zoals de pijl en boog, de landbouw, de verbrandingsmotor, en de maanraket, heeft het leven dat eraan voorafging uitgebreid de tijd gehad op koolstof op te nemen, dood te gaan, en diep in de aarde samengeperst te worden tot een krachtige brandstof die van alles mogelijk maakt. Iedere beschaving die die brandstof leert te gebruiken zal zich daar volledig op inrichten. Als dan iemand leert wat het terugpompen van al die koolstof voor gevolgen heeft, wordt het heel moeilijk om dat gebruik nog terug te draaien.

Ik wil optimistisch zijn, maar het lukt me maar niet.

Bilbao

Mijn hotel in Bilbao vraagt €7,50 voor een buffetontbijt met automatenkoffie. Dat doen we dus niet.

Recht tegenover het hotel is een bakkerijtje met wat zitplaatsen en een degelijke espressomachine. De vrouw achter de bar, wit schort, blonde paardestaart, brede schouders, werpt zich vol overgave op haar werk. Ze hakt de sinaasappels in tweeën alsof het kokosnoten zijn, smijt de piston in de espressomachine, en terwijl de koffie loopt vuurt ze haar vraag op me af: ¿dígame? Ik onderdruk de neiging me te verontschuldigen dat ik haar stoor en bestel een cortado en een tostada. Ik draag mijn bestelling naar een tafeltje waar ik mijn telefoon kan opladen. Het is best een grote zaak: een volle vitrine met brood en gebak, en een stuk of tien tafels waar mensen zitten te ontbijten. Ik neem de eerste slurp van mijn koffie. Aah, die smaakbom van een goede espresso, een tikkeltje gepolijst door het scheutje melk. Een tafeltje verderop zit een groepje spanjaarden van ongeveer mijn leeftijd, laptoptassen tussen hun benen geklemd. Het label op één van de laptoptassen verraadt dat ze naar dezelfde visserijconferentie als ik gaan. Mijn telefoon is weer op sterkte, mijn maag is vol, dus ik sta op en loop weer naar buiten, het ontwakende Bilbao in.

Een barretje op de hoek van de straat. Twee biertaps bedekt met condensdruppels, reclame voor Cinzano aan de muur. Zouden mensen zo vroeg al bier of vermout bestellen? Ik hou het bij een espresso con leche en een croissant. De croissant blijkt een behoorlijke joekel te zijn die met mes en vork wordt opgediend. Buiten, bij een paar tafeltjes ingeklemd tussen de langsrijdende auto’s en de voetgangers, zit een oudere man met een sigaret in zijn hand de krant te lezen. Twee werklui in feloranje overall werken hun koffie naar binnen, groeten de barman, en vertrekken. Ik moet ook maar weer gaan, want ik wou de keynote niet missen.

Ik had vandaag voor mijn ontbijt weer een tostada of een croissant in gedachten, maar man man man wat zien de pintxos in deze bar er fantastisch uit. Verschillende aardappeltortillas, broodjes met diepdonkere Spaanse ham, spiesjes met olijven, ansjovis en kleine groene pepertjes. De barvrouw hoort geduldig mijn krakkemikkige Spaans aan als ik haar vraag wat voor tortillas ze heeft: met kaas, met pimientos, of met een roomsaus en stukjes rauwe ham. Uiteindelijk bestel ik die laatste, en een cortado. Vanavond kom ik hier terug om de rest te proberen. Thuis maar weer sporten en aan de yoghurt met fruit.

Ach kom, nog eentje dan. Ik heb nog ruim de tijd voordat de bus naar het vliegveld vertrekt. Het is zaterdag, en behalve mijzelf zit er een jonge vrouw met een rolkoffer in het café. Terwijl ik mijn koffie naar binnen slurp probeer ik het Spaanse nieuws op het tv-scherm achter de bar te ontcijferen. Onderweg naar de bus neem ik me voor weer te gaan sporten, mijn Spaans meer te oefenen, en gauw weer terug te komen. Wat een stad.