Sinds de vervanging van de oude Aula door het flitsende nieuwe Omnia-gebouw heeft mijn werkgever de diploma-uitreikingsceremonie aangepast aan de nieuwe tijd: geen formele toespraak op een podium, maar een gezellig praatje op de bank. Ik mocht laatst weer als uitreiker deelnemen, en al heb ik er een hekel aan mezelf in een pak te hijsen (het voelt als theater – ik kan net zo goed een Pikachupak aantrekken), het is een ontroerend en inspirerend tafereel waar elke docent eens in de zoveel tijd deel van zou moeten uitmaken.
Er zijn natuurlijk altijd toptalenten bij, die de stortvloed aan complimenten van hun begeleider aanhoren, soms met rode konen van de gêne, soms met een vanzelfsprekendheid die ongetwijfeld de kiem vormt voor een later stuitend superioriteitsgevoel. Die moeiteloos doorstromen naar een promotieplek, en dat vinden ze bij de universiteit natuurlijk prachtig, want je wordt één van hen.
Maar ook die student die nooit last heeft gehad van dergelijke arrogantie, die ooit aan het eind van het VMBO met het gevoel niet uitgeleerd te zijn naar de HAVO doorstroomde, en bij het afsluiten van haar HBO-diploma naar de universiteit keek met de vraag: zou ik dat ook kunnen? En ja, het was natuurlijk een gevecht, ze heeft hard moeten werken, maar met het groeien van haar kennis en vaardigheden ontdekte ze ook een vuur in zichzelf, een passie voor ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken waar ze zich nu aan mag wijden.
Of die student die met allerlei demonen heeft gevochten, van wie je misschien de worsteling van dichtbij hebt meegemaakt. Die forse studievertraging heeft opgelopen wegens verslavingsproblemen, of concentratieproblemen, of die simpelweg teveel tijd nodig had voor zijn therapeut om aan zijn examens of zijn scriptie te werken. Die je, naarmate de scriptie weer momentum opbouwde, en het afstuderen naderde, weer zelfvertrouwen en iets van plezier zag verkrijgen. En je weet, ook na het afstuderen zal de weg niet gemakkelijk zijn, maar hij gaat alvast omhoog.
En als ze dan hun krabbel hebben gezet, en heel even poseren met hun diploma voor de foto die wordt genomen door ouders die soms jonger zijn dan ik, bekruipt mij iets van afgunst. Om zo je leven nog voor je te hebben, om reikhalzend uit te zien naar alles dat je met je leven kan gaan doen, teveel voor één mensenleven natuurlijk, maar alleen de mogelijkheid is al genoeg voor een dagdroom en een glimlach. Volgende week word ik 51, mijn veelbelovende toekomst als onderzoeker ligt al ver achter me, ik had dit zonder leesbril niet kunnen schrijven, en mijn knie is dusdanig kapot dat ik de lotuszit voortaan kan vergeten. Ik heb meer dan genoeg schepen verbrand. Maar als ik dan het verplichte praatje maak over de toekomstplannen van zo’n nieuwe academicus, dan slaat iets van die anticipatie ook over op mij. En dan ben ik dankbaar dat ik hier deel van mag uitmaken.