Ik zit mijn oude columns te lezen en realiseer me tot mijn schrik dat het precies een jaar geleden is dat ik hiermee begon. Uiteindelijk heb ik er vijftien geschreven, over uiteenlopende onderwerpen van de wolf tot economische groei tot de ontbijtjes in Bilbao, maar ergens in februari droogde de stroom op. Wat ging er mis? Wat ging er goed?
Ik was deze serie begonnen om het creatief schrijven meer te oefenen, en het creatief proces te stimuleren. Vroeger, toen ik op de middelbare school zat, was de vrije schrijfopdracht mijn favoriet. Ik had op de MAVO zelfs een soort competitie met een klasgenoot wie het engste horrorverhaal kon schrijven. Later heb ik vaak zat ideeën gehad voor korte en lange verhalen, maar ik heb nooit de rust of de discipline gehad om ze op te schrijven.
Je zou zeggen dat een academicus een geoefend schrijver zou zijn, toch? Ik heb een proefschrift geschreven, en meerdere wetenschappelijke artikelen. Maar wetenschappelijk schrijven is eigenlijk een heel saaie, haast mechanische manier van schrijven, waarbij artikelen meestal een vaste structuur hebben van probleemstelling, doel, methode, resultaten, discussie, en conclusie. Je kunt je als auteur geen al te frivole uitdrukkingsvormen veroorloven, want je internationale publiek zou je wel eens verkeerd kunnen begrijpen. Ook dat er bij iedere publicatie minstens twee anonieme collega-wetenschappers meebeslissen over je artikel slaat de creativiteit vaak dood.
Naast mijn wetenschappelijke artikelen heb ik ook ooit artikelen geschreven voor New Folk Sounds, een Nederlands tijdschrift over allerhande traditionele- en rootsmuziek. Ik heb daar veel van geleerd over het schrijven voor een breed publiek. Uiteindelijk kreeg mijn werk toch de overhand, en ik betrapte mezelf erop dat ik iedere artiest die ik interviewde dezelfde vragen stelde. Praten over muziek is als dansen over architectuur, zou Frank Zappa ooit gezegd hebben.
Maar ik wil wel schrijven, en niet alleen maar in het strakke keurslijf van het wetenschappelijke artikel. Met deze columns stelde ik mezelf een zo eenvoudig mogelijk doel: iedere twee weken een tekst van tussen 300 en 500 woorden. Het mag over alles gaan dat me boeit, als het me maar voldoende boeit om erover te schrijven. Daarnaast legde ik mezelf een beperking op: ik zoek niks na als ik schrijf. Als ik daaraan begin ben ik weer de helft van de tijd bezig mijn uitspraken met bronnen te staven (je moest eens weten hoeveel tijd ik daaraan kwijt ben bij een wetenschappelijk artikel). Nee, wat ik schrijf komt uit mijn eigen ervaring en geheugen. Dat ging vijftien keer goed. Het kán dus wel.
Waar ging het dan mis? Een column die ik achteraf nét iets te persoonlijk vind en dus nooit heb gepubliceerd. De aankoop en verbouwing van, en verhuizing naar, een ander huis. Een te drukke onderwijsperiode, waarin ik mij de wonderen van de Nederlandse publieke economie eigen diende te maken.
Maar wat kan ik anders doen dan gewoon opnieuw te beginnen? Als alles goed gaat heb ik over twee weken weer een nieuwe column.