Mooi idee, die collectieve bedrijven, maar verwacht er niet te veel van

In de schijntegenstelling tussen de “neoliberale” vrije markt en een “communistisch” staatssocialisme presenteren critici van het kapitalisme een tussenweg die uitgaat van collectief bezit: bedrijven zijn eigendom van de mensen die er werken, en soms zelfs ook van de mensen die hun producten gebruiken, en die bepalen samen op democratische wijze het beleid. De gedachte is dat democratische bedrijven vanzelf een socialer en groener beleid voeren.

Het idee is minder vergezocht dan het lijkt. Het Baskische Mondragon conglomeraat geldt al decennia als het schoolvoorbeeld van een democratisch bedrijf. Ik ken in Nederland een BV waar alle medewerkers aandelen in hebben, en waar leidinggevende posities rouleren. Of zulke bedrijven structureel socialer en groener zijn weet ik niet, maar ik sluit niet uit dat collectieve bedrijven kunnen helpen om de menselijke maat weer terug te brengen in de eonomie.

Sommige voorstanders van collectieve bedrijven gaan verder. In zijn boek Ecoliberalisme beweert Kees Klomp dat de “meenteconomie”, zoals hij een economie van collectieve bedrijven noemt, de vrije markt geheel kan vervangen. Daar geloof ik niet in.

In zijn essay “I, Pencil” beschrijft Leonard Read hoe alleen al een eenvoudig voorwerp als een potlood voortkomt uit een complex proces dat hout, lak, grafiet, metaal, en rubber samen brengt. In de vrije markt is er voor elk van deze materialen een markt en een prijs; in staatssocialisme zorgen ambtenaren voor de coördinatie. Als we deze mechanismen uitsluiten, wat bepaalt dan hoeveel potloden we produceren, en wie het nodige hout, grafiet, en andere materialen levert?

Het idee van collectieve bedrijven komt met name uit het anarchisme: onder andere tijdens de Spaanse Burgeroorlog hebben anarchisten veel geëxperimenteerd met collectieve fabrieken. Misschien bieden anarchistische denkers dus alternatieven.

Mikaïl Bakoenin en Pierre-Joseph Proudhon stelden een soort centrale uitwisselingsbank voor, die voor ieder product tegoedbonnen toekent ter waarde van de arbeid die in het product is gestoken. Voor zover ik weet is het nooit in praktijk gebracht, maar ik vraag me af hoe dit systeem voorkomt dat een kwaadwillende maanden claimt voor het maken van een enkele brakke pollepel die niemand wil hebben.

Bakoenin stelde ook overeenkomsten tussen collectieven voor. Dat zou betekenen dat de arbeiders van de collectieve potlodenfabriek in overleg gaan met de bosbouw- en grafietcollectieven. Die weer in gesprek moeten met de collectieven die bijlen maken, en zagen, en ander gereedschap… Sta even stil bij de complexiteit van de huidige economie en een dergelijk overlegmodel verwordt tot een bureaucratische vergadernachtmerrie.

Peter Kropotkin stelde voor om depots te stichten waar iedereen spullen kan brengen en halen. De arbeiders van de collectieve potlodenfabriek zouden hun potloden daarheen brengen, en gelijk hun avondeten halen bij de voedselafdeling waar landbouwcoöperaties, ook geheel vrijwillig, voedsel hebben afgeleverd. Ik voorzie een schrijnend tekort aan tandartsen en een overschot aan middelmatige schilderijtjes.

Kortom: ik zie heus wel voordelen in bedrijven die op democratische wijze zijn georganiseerd, maar als het gaat om de algehele coördinatie tussen die bedrijven is er geen systeem dat zo effectief vraag en aanbod met elkaar verbindt als de vrije markt.